deschilpad

Periode: 
decembe/2001

De schildpad

Het is begin juli, 2001

Na een weekje Alpen hebben de wilde bloemen, reusachtige sparren en vlinders de voorbije examenperiode uit mijn hoofd verdreven. Vol energie reis ik verder naar Griekenland, met de trein van noord naar zuid Italië. In noord Italië barst het nog van industrierotzooi, maar hoe meer naar het zuiden, hoe mooier het landschap wordt.

Helemaal onder aan Italië, in Brindisi, koop ik een bootticket voor Griekenland. Brindisi is een mooi havenstadje, met gastvrije mensen. Terwijl ik, puffend van de hitte, sta te wachten op een veerbootje, trekt een oudere Italiaan me in de schaduw en maakt me duidelijk dat de zon hier echt wel dodelijk kan zijn.

's Avonds, wanneer ik op de boot naar Griekenland stap sta ik plots oog in oog met een stelletje koeien. Er staan enkele vrachtwagens met het zwarte opschrift «diertransport». Ik ben meteen geschokt door het gebrek aan plaats dat ze hebben, er is net genoeg plaats voor één koe om te liggen, de rest moet rechtstaan. En dan te bedenken dat deze bootreis alleen al zo'n 24 uur duurt, en hoelang zitten ze daar misschien al niet...
De boot zelf zit echt propvol met Turken die hun familie gaan bezoeken. Op het dek leer ik drie Latijns Amerikaanse meisjes kennen en we veroveren een slaapplaats in de massa. Eens in volle zee geniet ik van de zeewind en het wordt een heerlijke reis.

Ik sta vaak bij de koeien en het is de eerste keer dat ik een koe zie huilen, het zijn zo'n prachtige dieren, maar in de vrachtwagen waarin men ze heeft opgesloten moeten ze hun natuurlijke behoefte gewoon op elkaar doen door het plaatsgebrek.
Wanneer we in Griekenland aankomen beloof ik ze dat ik er alles aan ga doen om te voorkomen dat hun kinderen hetzelfde moeten meemaken.

In Griekenland nemen we de trein naar Athene en het wordt de mooiste treinrit van mijn leven; het is een prachtig land en ik word betoverd door haar kleuren.
Athene daarentegen is heet en opdringerig, het is dan ook de warmste dag van het jaar. Na een dagje in de grootstad, op het ritme van drie Latina's, nemen we afscheid en stap ik in de Atheense metro - lees 'oven'. Ik scheep in richting Ikaria, een eilandje waar het eerste werkkamp plaatsvindt. En gelukkig geen dierentransporten op deze boot, wel een boel geflipte reisvogels uit Canada en New-york.

Raches Ikaria

De zon komt net op wanneer we binnenvaren in een haventje dat er grappig klein uitziet in contrast met de reusachtige ferry, ik schrik wakker door zijn oorverdovende claxon.
Ikaria is genoemd naar Ikarus, een Griekse mythologisch figuur die op een dag te dicht bij de zon vloog, zijn vleugels verbrandde en in de zee viel.

Wanneer ik op een terrasje wat zit te spelen met een straatkat ontmoet ik Olgita, een Grieks-Pools meisje met Armeense roots en een mondharpje. We nemen samen een bus naar de andere kant van het eiland en ondertussen vertelt ze me alles over Ikaria.

Het is een vreemd en magisch eiland, de eilandbewoners zouden een beetje gek zijn geworden door de radioactieve heetwaterbronnen, die zoveel energie verspreiden dat zelfs de bejaarden nog in staat zijn een marathon te lopen. Onder andere daarom, vertelt ze, is het haar lievelingseilandje geworden (en dat van mij ondertussen ook).
Onderweg stappen er, ter illustratie, wat oudere mensen op, die zich als uitgelaten tieners gedragen.
Olgita vertaalt de gesprekken in de bus, die voornamelijk gaan over welke dochter van welk dorp verliefd is op wiens zoon.

Ik verneem ook nog dat het Griekse vasteland steeds haar communistische landgenoten gedumpt heeft op Ikaria, hierdoor is de bevolking vrolijk rood en hoor je ze zich meermaals trots vergelijken met Cuba. Veel rode graffiti, ook op de muren, met teksten als «de ster van Fidel schijnt». En op de muur van de bakkerij van een dorpje staat «brood voor het volk», de bakkerij zelf overigens is verlaten en je mag je brood zelf uitkiezen en geld op de toonbank achterlaten.

De volgende ochtend, om 4.00u, ontmoet ik de mensen van het werkkamp «Raches Ikaria». Er dagen maar twee vrijwilligers op, een Spaanse en een Engelsman. We worden met z'n achtten (nog twee eco-messengers en twee begeleiders) gehuisvest in een schooltje; later zouden er nog een Pools koppel, en een Italiaanse psychologe bijkomen. Het schooltje bevindt zich net boven een dorpje dat Christos heet, toevallig las ik enkele weken daarvoor dat dit de naam is van de oorspronkelijke aanhangers van Jezus, degenen die de weg van het hart kiezen... Het is een gezellig dorpje, waar de mensen 's nachts leven en overdag slapen.

Het werk bestaat uit het schoonmaken van een bergpaadje. We krijgen schoffels, zagen en rijven in handen geduwd en men doet ons voor hoe we struiken kunnen verwijderen die mettertijd het bestaande bergpad hebben overwoekerd.
Elke dag vorderen we meer en wordt de wandeling heen en terug ook langer, waardoor we tegen het einde twee prachtige bergwandelingen doen per dag, door de bossen waar vroeger Griekse goden jaagden.
We werken tot de middag, daarna is het te heet om nog een rijf op te heffen. In de namiddag liften we meestal de berg af, naar het strand en de golven.

We worden ook uitgenodigd op feesten van de eilandbewoners, waar steeds een prachtige dans wordt uitgevoerd, die ik met behulp van tonnen zelfgemaakte wijn bijna kon imiteren. Ginder danste iedereen deze dans, de oudjes samen met de kinderen.
Op een avond zijn we te gast op een etentje bij de mensen van het project. Naarmate de avond vordert komen er steeds meer mensen en iedereen brengt wel wat eten of eigen wijn mee. En met de wijn verschijnen de muziekinstrumenten, ik krijg een tabla in handen en worstel met hun vreemde ritme.

Samen met het lamsvlees komt een Australische eilandbewoonster aan met droevig nieuws uit Genua, de vrije markt heeft haar gezicht laten zien. De sfeer is gezet en er wordt ons verteld dat zelfs Ikaria tegenwoordig te lijden heeft. Waar hevige bosbranden hebben gewoed groeien even later (toevallig?) hotelletjes als waren het paddestoelen. Het transport wordt gemoderniseerd en idyllische weggetjes krijgen met bulldozers en asfalt te maken. De eilandbewoners worden in twee kampen gedwongen, zij die opkomen voor het behoud van de natuur en rust, en zij die geld hebben geroken.

Over Turkse treinen en thee

Aan het einde van het werkkamp neem ik een boot richting Turkije, en weer geniet ik van de energie die de zeelucht me geeft. Na een overstap in Samos, het laatste eilandje voor de Turkse kust, kom ik aan in Turkije met een kleine snelle boot. De kuststrook van Turkije ziet er zoveel anders uit dan het Griekse eilandschap en de mensen zijn helemaal niet meer zo «layed back» als op de eilanden.

Met een lichte cultuurschok in het achterhoofd besluit ik om in één keer door te reizen naar Cyprus, de afstand een beetje onderschattend.
Hier in Turkije zie ik ook veel militairen, in de meest ridicule pakken, die ieder om ter gekst voorbij marcheren.
Na een bezoekje aan een tapijtenwinkel, waar ik wegdroom door de meest fabelachtige patronen, neem ik een piepklein minibusje naar het dichtstbijzijnde treinstation. Even later zie ik kamelen voorbij wandelen en «in the middle of nowhere» staan sprookjeskastelen van zwembaden en pretparken in felle kleuren.

Aangezien niemand hier engels spreekt en ik geen Turks versta, beland ik na een treinrit in een eindstation in een grote stad en wordt door een politiecombi naar een hotel geëscorteerd. Ze beweerden dat het daar echt wel gevaarlijk was als toerist.
De volgende dag beland ik dan toch nog op een juiste trein, van West- naar Oost-Turkije. Het is een oude trein, en aan het geluid van de locomotief te horen hebben ze daar een motor van een helikopter in gestoken. De trein zit stampvol, en ik bemachtig een staanplaatsje tussen twee wagons in. De mensen zijn gefascineerd door mijn verschijning en ik wordt bestookt met vragen in het Turks. Het is heet op de trein en ik doe zoals iedereen hier, ik zet mezelf in de deuropening, naar buiten hangend om zoveel mogelijk frisse wind mee te krijgen.

De reis duurt uiteindelijk twee dagen, en het is prachtig, vooral wanneer we door hoge berglandschappen sporen. Een bejaard koppeltje neemt me onder hun hoede en ik krijg zoveel noten en fris water als ik maar wil. Op vaste tijden moeten we plaats maken voor de oude man zodat hij zijn gebed kan doen.

Uitgeput van de reis stap ik uit in Adana, waar ik een busticket koop voor Mersin om vandaar de boot naar Cyprus te nemen. De bus vertrekt pas binnen een paar uur en ik besluit om een moskee te bezoeken. Het is een machtig gebouw met de omvang van een kathedraal, helemaal in het wit en met wel zeven torens. Binnen word ik betoverd door de prachtige schilderingen en rust uit op de zachte mat.
Terug buiten gekomen besluit Allah om deze vreemde bezoeker uit te testen; ik krijg een tas thee aangeboden en verlies na de eerste slok het bewustzijn. Wanneer ik wakker wordt is alles gestolen, zelfs mijn didgeridoo. Gelukkig staat mijn grote rugzak nog in het busstation en na wat verhoren met de politie en de pers (in het Turks) wordt ik op een bus gezet richting Ankara, van Zuid- naar Noord-Turkije, om daar een Belgische ambassade te zoeken.

In de ambassade krijg ik een «emergency passport» en ze vragen of ze een vlucht naar België moeten regelen. Maar ik wil naar Cyprus, naar de schildpadjes, dus zit ik al even later opnieuw op de bus naar Mersin, van Noord naar Zuid.
Wanneer ik op de boot wil stappen maakt de douanier van het haventje problemen, in het Turks natuurlijk, en even later sta ik terug buiten. Mij afvragend waarom ik niet naar Cyprus mag loop ik een kantoortje binnen om te vragen of ik mag telefoneren. De vrouw gaat naar achter en haalt een man die Engels spreekt; hij stelt zich voor als Kazim en vraagt of ik mee naar achteren loop. We gaan door een klein deurtje aan de achterkant van het kantoor en dit blijkt uit te komen op een ongelooflijk grote zaal in ruwe bruine stenen, het lijkt wel op een zaal van een oude burcht. Deze vertrekken doen dienst als archeologisch museum, vertelt hij en we lopen een kleinere ruimte binnen die is ingericht als klaslokaal. Tot mijn verbazing zitten de banken vol schoolkinderen; het is een zomerklasje en ze krijgen Engelse les van Kazim. Nadat ik mijn reisverhaal heb gedaan besluiten ze dat Kazim mee naar de douane gaat om te vertalen. Daar blijkt dat ik in mijn voorlopig paspoort geen visumstempel heb van Turkije; dus ben ik volgens hen het land niet binnengekomen en mag ik vervolgens ook niet buiten (douanelogica...). En een lidkaart van het Poesjkincentrum heb ik al helemaal niet, dus zit er niets anders op dan de bus te pakken naar Ankara, van Zuid naar Noord.
Terug in de ambassade staan ze mij al op te wachten, zich excuserend omdat ze inderdaad een bewijsje van het betreffende visum waren vergeten mee te geven. Deze keer krijg ik een gastenkamer en een volle ijskast en na een heerlijke douche telefoneer ik de verantwoordelijke van het werkkamp in Cyprus om te zeggen dat ik wat later kom. «Yes, mister Wils, I know allready» zegt die, «I"m just reading the morning newspapers».
Terug in Mersin mag ik dan eindelijk naar Cyprus en onder luid gejuich van het Engels zomerklasje verlaat ik Turkije. Of toch niet helemaal. Noord-Cyprus is bezet door Turkije, het eilandje is in twee verdeeld en de voormalige Griekse inwoners zijn uit hun huizen gezet en wonen in het zuidelijke Griekse gedeelte. Je ziet dan ook veel vervallen, verlaten huizen en, tussen de moskeeën, Griekse kerkjes die dienst doen als iconenmuseum. Op het noordelijkste puntje van de Peninsula is een gebied met een Orthodox klooster afgezet met prikkeldraad en Griekse soldaten; het is een Grieks eilandje in Turks gebied. Vanuit het Noorden mag je niet naar het Zuiden, vanuit het Zuiden mag je als toerist één dag rondtrekken in het Noorden, maar moet je 's avonds terugzijn - dus liefst geen lekke band rijden. Hierdoor krijg je maffe toestanden zoals die jongen die me vertelt dat hij zijn grootouders, die op een paar steenworpen afstand in het Griekse deel wonen, nog nooit gezien heeft.
De algemene indruk die ik krijg is dat de inwoners van het Noordelijk deel zich onderscheiden van de Turkse 'bezetter' en niet zo fanatiek moslim zijn.

Save the turtles (Cyprus)

Ik word de volgende dag opgehaald in het hotel en na uren rijden door het droge onbewoonde landschap komen we onder een volle maan aan op de kampplaats, op de Noordoostelijke Peninsula van het eiland. De vrijwilligers zijn bijna allemaal Cyprioten, buiten drie Japanse en twee Turkse studentes. Ik krijg een tentje en val in slaap met het zachte ritme van de golven op de achtergrond.

Als ik 's ochtends opsta blijkt dat ik in een paradijs terechtgekomen ben. Uit het raampje van mijn tent kijk ik recht op een wit strand met blauwe zee.
Het werk bestaat uit drie delen: dagwerk, nachtwerk of keukenwerk.
Tijdens de dag bewaken we de schildpadnesten en dit ofwel op Golden beach (het zuidstrand waar de kampplaats is) ofwel op North beach, een verlaten strand in het noorden. North beach is zo vervuild dat je er wel duizend werkkampen op kan zetten en toch blijft het een fabelachtig strand. Op North beach moet ook gepatrouilleerd worden om te zien of er geen schildpaddensporen zijn, een wandeling van zo'n 20 km. Op een dag doen we een gruwelijke ontdekking. Twee grote zeeschildpadden liggen dood naast elkaar, met een visserstouw rond de nek aan elkaar gebonden. Volgens de kampleider doen vissers dit omdat de schildpadden teveel vis zouden opeten. Ik moet meteen terugdenken aan een keer in Ikaria, in de bergen. Iemand vroeg de gids of er daar giftige dieren voorkwamen. Die antwoordde: «From time to time people, they are the biggest poison.»

Het nachtwerk bestaat ook uit het bewaken van de nesten, afwisselend op het noord- of zuidstrand. De dag voor zo'n nacht krijg je vrijaf.
De waterschildpadden komen alleen op het land om hun eitjes te leggen. Ze maken een grote wandeling (te zien aan de sporen) en beslissen dan of de plaats al dan niet geschikt is. Dan graaft de moeder een diepe put en legt soms wel honderd eitjes. Nadat ze de put heeft dichtgemaakt camoufleert ze vaak de graafwerken en maakt wat verder een nieuwe put om roofdieren op een dwaalspoor te brengen. Daarna keert ze terug naar de zee en laat haar kleintjes in vertrouwen achter bij moeder natuur.

Doordat de schildpaddenpopulatie zo sterk afneemt is men projecten als deze gaan opstarten. Op het noord- en zuidstrand heeft men alle nesten opgegraven en de eitjes opnieuw in de grond gestoken binnen een omheining. Boven deze nesten staat een plaatje met de datum wanneer ze gevonden zijn, zodat men ongeveer weet wanneer de kleintjes uit hun eitjes gaan komen. Bij deze omheining moet permanente bewaking zijn, enerzijds om nieuwsgierige toeristen en hongerige vossen op afstand te houden en anderzijds om de baby'tjes te verwelkomen wanneer ze uit het zand komen gekropen.

Wanneer de schildpadjes boven komen meet en weegt men ze eerst, iets wat ik eerlijk gezegd niet doe omdat ik het nut er niet van inzie; gelukkig word ik er ook niet toe verplicht. Wanneer de wetenschappers hun statistiekenmateriaal verzameld hebben brengen we de schildpadjes naar zee, op de loer liggende krabben op een afstand houdend. Daar waggelen ze het water in, elk op zijn eigen tempo; en ieder schildpadje krijgt een golf aangepast aan zijn sterkte... de zee is echt prachtig en vol bewustzijn. Eens ze in het water zijn en voorbij de grote golven, zwemmen ze mee met de stroming, het hoofd boven water houdend. Ik ben een keer met eentje mee gezwommen. Na eerst rustig te peddelen steken ze hun hoofd onder water en schieten pijlsnel tot vijf meter verder door een beweging met hun achterpootjes te maken.

Na een kleine maand aan de zee, stond ik ineens terug in Brussel, naar lucht happend in het drukke verkeer. Hier zou ik een werkkamp begeleiden bij Oxfam-solidariteit. De lucht was overdag grijs en 's nachts oranje door de straatlichten, het regende elke dag, het werk was eentonig en demotiverend en toch vonden we het (bijna) allemaal een leuk werkkamp... ik snap er echt niks van.

Jeroen Wils

Printer-friendly versionSend to friendPDF version
sitemap